Interview Mano Bouzamour: ‘Voor mijn boek uitkwam was ik doodongelukkig’

Als één jonge schrijver de afgelopen maanden veel heeft losgemaakt, is het de 23-jarige Mano Bouzamour. Hij debuteerde in november 2013 met De belofte van Pisa, waarin hoofdpersoon Samir zich ontworstelt aan zijn Marokkaanse milieu. Sindsdien was hij te gast bij Pauw & Witteman en stond zijn naam in alle grote kranten en tijdschriften. Ik ontmoet hem op het Leidseplein in Amsterdam. Hij komt aan op zijn Vespa en kijkt even in de spiegel of zijn kuif goed zit. Tijd om hem te vragen naar zijn schrijverschap en de gevolgen van zijn succes.

Dit interview is een longread, maar leest volgens m’n JSA-collega’s als een spannend verhaal.

Schrijver worden lijkt me niet echt een standaard jongensdroom. Meestal willen jongens profvoetballer of DJ worden. Hoe is die interesse voor het schrijven bij jou ontstaan?

‘Vroeger wilde ik heel graag profvoetballer worden. Ik zat op voetbal, maar ik wilde de bal nooit afgeven. Dat kwam doordat ik wist dat mijn teamgenoten het verprutsten wanneer ik de bal naar hen passte.  Als ik de bal aan m’n voeten had, wist ik dat ik ging scoren. Laatst sprak ik m’n oude voetbaltrainer en die zei: ‘Mano, jij had echt niet moeten stoppen want je had het heel ver kunnen schoppen.’

In 2009 mocht ik twee weken naar Malawi met stichting Edukans. Dat is één van de armste landen ter wereld. Ik ging daarheen om de scholen en armoede te bekijken. Op Schiphol zwaaide mijn broer me uit en gaf hij me een dagboek. ‘Flikker op met je dagboek, ik ben geen mietje,’ zei ik. Uiteindelijk heb ik het toch aangepakt en schreef ik alles op wat ik in Malawi beleefde. Het waren kwartiertjes, die kwartiertjes werden halfuurtjes en dat werden uurtjes.’

‘We zaten in een hostel en de stroom viel heel vaak uit, dus schreef ik bij kaarslicht. Dat was de eerste keer dat ik dacht: dit is wel heel vet. Toen ik terugkwam gaf ik presentaties over mijn reis waarbij ik voordroeg uit m’n dagboek. Mensen werden echt geraakt en moesten huilen. Ik ook. Ik kreeg reacties, had interactie met het publiek door wat ik geschreven had. Dat vond ik heel tof.

Daarna deed ik mee met schrijfwedstrijden. Die won ik. Toen was ik zeventien en dacht: ik wil wel schrijver worden. Vervolgens ontmoette ik Joris Luyendijk op de Albert Cuyp markt. Hij was een belangrijke schakel in mijn schrijverschap.’

Je staat vooral bekend als schrijver, maar je hebt in 2010 het Rozentuinfestival gewonnen door het verhaal te vertellen van een Arabische koopman.

‘Het filmpje dat daarvan op internet staat is echt heel stom. Ik kreeg op weg naar de finale een coach toegewezen die zei dat ik niet uitbundig moest zijn. Ik moest me juist rustig gedragen. Ik deed het op zijn manier en ik kan me nog herinneren dat ik dacht: dit ben ik echt niet, ik heb het echt verneukt. Ik ben veel uitbundiger, maar ik won wel.

Toch voelde niet als winnen, het voelde niet verdiend. Dat is een goede les voor mij geweest, dat ik andere mensen niet moet volgen. Ik was nog jong en dacht dat die coach het beter wist, dus deed ik het zoals hij het wilde. Dat was heel stom. Je moet wel het advies aanhoren, maar ik beslis wat ik wil doen en ik laat me niet sturen door andere mensen.’

Je was negentien toen je aan je debuut begon. Er zijn critici die zeggen dat je op zo’n leeftijd te weinig levenservaring hebt om een goed boek te kunnen schrijven. Hoe denk jij daarover?

‘Dat vind ik onzin. Als je een goed verhaal hebt, kun je een boek schrijven. De kunst is hoe je dat verhaal vertelt. Je kunt wel een verhaal hebben, heel veel mensen hebben verhalen, alleen je moet het ook opschrijven. Doe het maar. Dat is wat heel veel mensen denk ik niet onder de knie hebben. Ik heb heel veel gelezen voordat ik aan dit boek begon. Ik wilde de literatuur kennen. Door het lezen van die boeken heb ik veel levenservaring.’

Je had het net over Joris Luyendijk, dat hij een belangrijke schakel is geweest in jouw schrijverschap. Hoe heeft hij jou geholpen?

‘Ik kwam hem tegen toen ik jong was, een jaar of zestien. Op de Albert Cuyp markt liepen we elkaar tegemoet. Hij had een bekend gezicht, dus ik zei: ‘Hé, jou ken ik.’
Toen zei hij: ‘Oh ja?’
‘Ja, je zat gisteravond bij Pauw & Witteman.’

We stonden bij zo’n sinaasappelsapkraampje en toen vroeg hij me in het vloeiend Arabisch of ik een glaasje sinaasappelsap wilde. Daar was ik natuurlijk van onder de indruk. Zo’n blanke man met blauwe ogen en blond haar, hoe de fuck kan hij nou Arabisch spreken? Hij vertelde me zijn levensverhaal en ik vertelde hem het mijne. Hij vond dat ik het moest opschrijven. ‘Ik help je erbij,’ zei hij. ‘Ik ken een goede uitgeverij.’ Zo is het balletje gaan rollen.’

Vond je het moeilijk om je verhaal op te schrijven?

‘Ik begon echt serieus met schijven vanaf m’n negentiende tot m’n eenentwintigste. Dat waren echt de zwartste jaren uit m’n leven. Ik was heel erg ongelukkig. Ik ging bijna nooit uit en ik zat alleen maar in m’n zolderkamertje. Ik vond mezelf heel zielig, maar dat had ik wel even nodig. Ik had de bodem hard geraakt en vroeg me allemaal dingen af. Ben ik wel moslim? Ik ben van huis uit moslim, maar heb ik daar ooit voor gekozen? Geloof ik wel in God en dat hele legertje profeten?

Ik wilde in die periode heel graag schrijven en ik schreef ook veel, maar gewoon in het wilde weg. Ik wist niet hoe ik moest schrijven en in wat voor vorm. Toen ik eenentwintig was had ik het raamwerk geschreven met alle scènes en de karakterveranderingen van de personages. Toen ik wist wat ik wilde vertellen, was het een kwestie van op m’n creativiteit leunen en heel veel plezier hebben. Toen werd het echt heel leuk.’

Dus door te schrijven hervond je jouw geluk?

‘Ik hervond m’n geluk niet, ik begon alles in twijfel trekken. Ik vroeg me bij alles af: waarom? Waarom is dit gebeurd en waarom is dat gebeurd? Geloof ik in God? Bestaat Hij wel? Dat soort dingen. Het waren hele nare nachten. Dat wens ik niemand toe, maar je hebt die nare nachten wel nodig. Het vormt je. Ik heb het geluk dat ik niets stoms heb gedaan zoals mezelf iets aandoen.

Dat heeft het schrijven echt met me gedaan. Het heeft me heel veel zelfvertrouwen gegeven. Ik kom uit een groot gezin met drie broers en drie zussen. Ik was de jongste en in een Marokkaans gezin wordt je niet vertroeteld en moet je juist een grote bek hebben. Dat heb ik en daar ben ik heel blij mee.’

De hoofdpersoon in je roman, Sam, komt ook uit een groot gezin. Zijn broer zit zes jaar lang vast en Sam bezoekt een buurthuis in de Diamantbuurt waar hangjongeren komen. Het bevestigt de vooroordelen over Marokkaanse jongeren: ze raken betrokken bij criminele activiteiten en degenen die wel studeren vormen een uitzondering. Waarom heb je daarvoor gekozen?

‘Omdat ik geloofwaardige fictie wil schrijven. Ik heb dat meegemaakt, ik maakte deel uit van dat leventje, van die jongens en van die straatcultuur. Het zou juist stom zijn geweest als ik het niet erin had verweven. Ik had het er ook niet in kunnen stoppen, maar dan ontken je een beetje de waarheid. En ik heb echt een fucking hekel aan mensen die de waarheid ontkennen. Het interview in de Volkskrant is daar een mooi voorbeeld van. Ik liet de interviewer de buurt zien waar ik hing en vertelde echt alles, maar dat stond niet in het interview. Ze had haar eigen verhaal al gemaakt en schreef hoe de media mij framede, terwijl zij dat zelf deed. Dat is sneu.

Tijdens het schrijven ben ik teruggegaan naar die buurt om weer even de beelden op te frissen. Daar waren broertjes van die jongens met wie ik daar chillde. Ik vroeg wat ze later wilden doen. Dat wisten ze niet. Ze wilden het liefst zo snel mogelijk rijk of drugsdealer worden. Dat doet me zo’n pijn. Ik heb dat in m’n boek verwerkt omdat het een deel is van de realiteit.’

Sam slaat met deuren zodat zijn moeder met hem praat, hij zet het volume van muziek harder wanneer zijn ouders dat niet willen en maakt zijn ouders boos door ’s avonds laat piano te spelen. Dat komt op mij over alsof Sam begrip en erkenning zoekt, die hij niet krijgt.

‘Ja, dat is zo. Toen ik vroeger tekeningen maakte, liet ik ze niet aan m’n vader en moeder zien. Zij waren daar toch nooit van onder de indruk, dus liet ik ze aan mijn broer zien. Je hebt altijd iemand nodig die begripvol is, toch? Als kind vooral. Dat heb ik net zoals mijn hoofdpersoon niet echt gehad.’

Dat is heftig.

‘Ja. Ik heb het niet zo heftig op willen schrijven. Ik wilde het gewoon laten zien op een tersluikse manier. Niet van: ‘Kijk hoe zielig dit is.’ Ik heb geen zeikerig boek willen schrijven. Dat niet. Ik heb op humoristische wijze beeldend willen beschrijven hoe een bepaalde wereld eruit ziet. En ik wil vooral vermaken. Dat is mijn doel. Ik wil dat als mensen mijn boek lezen ze eventjes hun eigen shit vergeten. Dat ze even in dat wereldje leven dat ik heb gecreëerd.’

Was dat je enige doel?

‘Ja, mensen vermaken. Hen in een inkijkje geven in een wereld die niet veel mensen kennen. Daar heb ik heel veel berichten over gekregen. Ook van grote schrijvers als Giphart, Kluun en Herman Koch. Ze zeiden dat ze een heel mooi inkijkje hebben gekregen door mijn boek. Dat is het doel van een roman. Mensen nieuwe inkijkjes geven in bestaande werelden.

Ik word uitgekotst door mijn gemeenschap, maar de literatuur omarmt mij. Ik krijg waardering voor wat ik doe. Ik vind het fucking leuk en ik heb er heel veel plezier in. Nu ben ik opgemerkt. Dat is het mooiste. Ik heb m’n boek met liefde geschreven. Dat klinkt heel cliché, maar ik heb het echt vanuit een hele liefdevolle energie geschreven. Daarom begrijp ik niet dat mensen er zo boos om zijn. De stem van mijn boek is niet beledigend.

Het gaat over een jongen die zich afzet. Fucking iedereen zet zich af op zijn of haar manier. Ik vind het heel erg oneerlijk dat ik ben uitgekotst door de Marokkaanse gemeenschap.’

Hoe ga je dan met dat soort heftige reacties om? Je hebt zelfs gevochten met een jongen die je bespuugde.

‘De eerste vier maanden was ik doodongelukkig. Echt. Ik keek uit naar het moment dat m’n boek kwam. Je moet zo’n lange adem hebben. Toen m’n boek uit kwam kreeg het goede recensies en verscheen het in de kranten. Tegelijkertijd keerden de mensen van wie ik het meest hield mij de rug toe. Dat is heel pijnlijk, want op dat moment valt je basis gewoon weg. Ik moest leven uit vuilniszakken waar m’n kleren in waren gepropt. Dat was een hele nare tijd en dat wens ik echt niemand toe.

Het is als een goudzoeker die met een zeef al het zand zeeft. Het zand valt eruit en de goudstukjes blijven over. Dat zijn er maar een paar en dat heb ik nu ook ervaren. Ik weet nu echt wie er achter mij staan en wie niet. En het erge is: ik wist het eigenlijk al.’

Alles waar Sam zich voor inzet, pakt anders uit. Zijn vwo-diploma voelt niet zo bijzonder als hij had verwacht, de band met zijn broer is veranderd na zijn gevangenisstraf en hij raakt zijn beste vriend kwijt. Waarom eindigt hij zo eenzaam?

‘De hoofdpersoon moet ook lijden. Als je hem alleen maar mooie dingen toewenst, is het geen roman. Als je de wetten van de literatuur volgt, moet de held geen held meer zijn aan het einde. Zijn broer was echt een held aan het begin en gaandeweg in het verhaal verandert dat. Net zoals met zijn beste vriend. Hij heeft wel een vriendinnetje en gaat goed om met de moeder van die vriend, maar het is ook mooi om te laten zien dat vriendschappen over gaan.

Ik vind vriendschap zoiets moois. Vriendschap is waarom we op deze wereld zijn. Af en toe gaat het kapot en dan doet dat pijn. Dat heb ik ook meegemaakt, dus dat wilde ik erin stoppen.’

Zoals ik net al zei was hij met dat vwo-diploma niet zo gelukkig als hij had verwacht. Pas als hij in het Concertgebouw piano mag spelen, is hij gelukkig. Voelt dat voor jou ook zo? Dat het volgen van een droom belangrijker is dan studeren?

‘Ja dat is een heel mooi punt. Een vriend van mij organiseert feestjes en moest een lezing houden op een middelbare school. De eerste zin waar hij mee begon was: ‘Stop met school.’ Ik ben wel voor studies, maar het moet je wel liggen.’

Je studeert zelf niet. Ben je dat wel van plan?

‘Ik wil wel geschiedenis gaan doen omdat ik dat echt heel interessant vind. Maar voor het schrijven heb ik geen studie gevolgd. Ik heb wel boeken bestudeerd en heel veel gelezen, maar ik hoefde geen Nederlandse les te hebben om te kunnen schrijven.’

Twee belangrijke thema’s in je boek zijn het opgroeien in verschillende culturen en de stereotypering van allochtonen. Kunnen we op dat vlak nog meer van je verwachten of wil je juist een totaal andere kant op?

‘In mijn volgende boek wil ik het hebben over klassenverschillen. Ik wil niet hetzelfde trucje weer uithalen, want dat zou een beetje stom van me zijn. Dan geef je de recensenten munitie om je kapot te schieten. Dat wil ik vooral niet doen. Ik vind wel interessant om mensen te plaatsen in een wereld die zij niet kennen. Wat gebeurt er met ze? Wat doen ze? Hoe reageren ze? Dat ga ik in m’n tweede boek stoppen. Ik ben er wel in gedachten mee bezig, maar nog niet echt. Het bad loopt langzaam vol en ik begin pas als het overstroomt.’

Drie jaar lang was het boek helemaal van jou. Sinds het gepubliceerd is, heeft iedereen er een mening over. Vind je dat moeilijk?

‘Dat is de bedoeling van kunst. Het is een hele lange tijd van jou. Daarna is het deels van de redacteurs, want die gaan eraan schaven en snoeien. Dat doet zo’n pijn. Ik kan me nog herinneren dat ik heel kwaad was.’ Hij slaat met zijn vuist op tafel. ‘Nee, stomme trut, die zin is mooi en we gaan hem houden.’

Op een gegeven moment koelde het een beetje af. Dan hadden ze meestal gelijk en was het oké. Het is niet meer van mij, het is voor iedereen. En dat is de bedoeling van kunst. Ik heb het zo mogen vormgeven hoe ik het wilde. Ik mocht een beetje voor God spelen en daarna liet ik het los. Dan gaat het een eigen leven leiden. Ik vind het nog steeds zo fascinerend dat mensen die ik niet ken mijn boek lezen. Dat ze de wereld verkennen die ik heb verzonnen. Dat is toch prachtig. Ik vind dat magisch. Boeken zijn draagbare magie.’

Sam houdt zich ook bezig met kunst, de kunst van het pianospelen. Muziek maken is een rode draad in je boek. In je dankwoord zeg je dat schrijven muziek maken is. Hoe belangrijk is muziek voor jou bij het schrijven?

‘Ik wilde bijna het volgende in een dialoog tussen Ysbrand en Sam verwerken: ‘Hoeveel hou je van muziek?’ Sam zei: ‘Als ik moest kiezen om m’n lul eraf te hakken of te stoppen met muziek, dan zou ik m’n lul eraf hakken.’ Dan zou hij niet meer voortbestaan. Ik heb die zinnen er niet in verwerkt omdat ik ze een beetje te hard vond. Nu kan ik het gebruiken in interviews.

Als ik muziek luister heb ik het gevoel dat ik echt leef. Ik luister heel erg veel muziek tijdens het schrijven. Allerlei soorten muziek. Van klassiek tot jazz tot de allerzwartste negermuziek die je maar bedenken kan. Hiphop, rap, ik vind alles wel leuk.

Ik vond het ook heel mooi om dat te gebruiken in m’n boek. Ik weet heel veel van muziek en het haalt de vooroordelen onderuit. Daarom liet ik m’n hoofdpersoon pianospelen. Hij hangt wel in buurthuisjes rond maar hij kan ook heel goed pianospelen. Dat zou je niet achter zo’n jongen zoeken.’

Even iets anders, de filmrechten voor je boek zijn verkocht. Kun je daar iets meer over vertellen?

‘Er zijn zes filmproducenten langs geweest. Ik bevond me dus in een behoorlijke luxepositie. Ik kon een beetje achterover leunen en ze laten vechten om wie het beste contract kon aanbieden. Ik heb voor Rolf Koot gekozen. Hij is de maker van Lek, een hele sterke misdaadfilm. Vroeger was dat mijn favoriete film. Het is best vleiend als diezelfde filmproducent vijf dagen na publicatie van je boek aanklopt om de filmrechten te kopen.’

Heb je zelf ook inbreng?

‘Ja, ik heb heel veel dingen vastgelegd in het contract. Dat ik mag meekijken, meebeslissen met acteurs en meeschrijven met dialogen om de originaliteit erin te houden. Als die film er straks is, is het wel een film van de acteurs en de filmproducent, maar het verhaal is van mij. Ik heb het boek geschreven en daar was ik de baas over. Nu moeten de acteurs de film maken.’

Je bent net terug uit Indonesië met Plan Nederland. Wat heb je daar gedaan?

‘Ik ben door Plan Nederland gevraagd om te schrijven over vrouwenrechten vanuit Indonesië. Met een groep ben ik de grote stad in getrokken en naar plattelandsgebieden geweest. We hebben veel geluisterd naar wat mensen allemaal te vertellen hadden. Daar hebben we over geschreven.’

Waarom vind je het zo belangrijk om je daarvoor in te zetten?

‘Ik vind het heel leuk om iets terug te doen. Ik heb nu een groot netwerk en als ik dat kan gebruiken om mooie dingen voor de wereld te doen, dan doe ik dat graag. Ik heb een zwak voor goede doelen omdat goede doelen me mijn talent hebben laten zien. Aan de ene kant voelt het ook heel stom, want ik ga terug met iets. Ik win iets en die mensen blijven daar.’

Ga je nog een keer terug?

‘Dat weet ik niet. Als de mogelijkheid zich voordoet, waarom niet? Het was een hele mooie tijd. Die koester ik. Ik ging daarheen en ik dacht altijd dat ik een beetje arm was. Ik kom uit de onderlaag van de samenleving, mijn vader en moeder hebben het niet zo breed en ik kreeg niet altijd de schoenen die ik wilde. Toen ik daarheen ging, zag ik wat de mensen daar allemaal niet hadden. Ik had een Playstation en een scooter, waar ik weliswaar heel hard voor werkte, maar ik had het wel. Toen dacht ik: zeik niet zo, gozer.

Het heeft me laten zien dat ik moet knallen. Je bent hier en je kan alles worden wat je wilt. Heel veel mensen op deze wereld hebben het gewoon fucking slecht. Wij hebben het zo goed.’

Je bent zelf best mediageniek. In een interview in de Volkskrant zei je dat het niet meer van deze tijd is om als schrijver cameraschuw te zijn.

‘Je kunt wel cameraschuw zijn als schrijver. Kijk naar Salinger. Hij had de camera niet nodig, verkocht veel en had een heel groot publiek. Ik doe ook maar wat. Ik heb geen lessen gehad in hoe ik me moet manifesteren in de media. Mensen denken: hij heeft een boek geschreven, dus hij moet het maar kunnen. Ik kloot ook maar wat aan en ik maak ook weleens fouten. Gaandeweg leer je het spelletje spelen.

Al die media-aandacht is wel heftig. Vroeger als iemand me belde wist ik wie het was. Nu krijg ik honderden mails en word ik gebeld voor interviews. Het is allemaal heel gek. Ik moet nog orde zien te vinden in die chaos.’

Je noemde net al Salinger. Welke schrijvers raad je nog meer aan?

‘Salinger, David Benioff, Gerard Reve, Hafid Bouazza, Tommy Wieringa. Ik vind hem echt heel erg goed. Zoals hij schrijft, zo wil ik ook schrijven. Tom Lanoye is ook waanzinnig. Hij is heel stilistisch, ontzettend sterk. Ik hou van stilistische schrijvers.’

Heb je nog een andere tip voor jongeren die ook de droom hebben om schrijver te worden?

‘Geloof ontzettend veel in jezelf. Je moet offers brengen. Als je echt wil schrijven, lees heel veel, schrijf heel veel. Geloof dat je het kan. Ik schrijf volgens zeven regeltjes. Zeven ingrediënten die ik altijd in m’n hoofd heb als ik aan het schrijven ben. De eerste vijf zijn de zintuigen: prikkel alle zintuigen. De andere twee zijn humor en intelligentie. Dat moet je een beetje blenden en dan maak je er een leuk verhaaltje van.

Ik vind dialogen schrijven ook heel vet. Dat zijn gewoon trucjes die je moet leren. Ik lees weleens boeken en dan denk ik: deze gozer snapt het helemaal niet. Dialogen zijn heel erg belangrijk, omdat je de karakters van personages kan laten zien. Ze moeten onvermoeibaar zijn.’

In een interview uit 2010 zeg je dat je jezelf als acteur ziet en dat je auditie hebt gedaan voor de theaterschool. Inmiddels schrijf je. Hoe zie je jezelf nu?

‘Helemaal niet als acteur, juist als schrijver. Het was een debacle. Ik ging naar die school en ik merkte echt dat ik helemaal geen acteur ben of wil zijn. Als schrijver ben je eigenlijk alles. Regisseur, acteur, je moet alles kunnen.’

Wat hoop je dat de toekomst je brengt?

‘Ik leef mijn droom. Alles wat ik wilde, is uitgekomen. Ik wilde een goed boek schrijven, een bestseller. De filmrechten zijn verkocht. Het wordt vertaald in het buitenland. Er komt een toneelbewerking en een hoorspel. Ik heb een column in het Parool. Ik wilde heel graag ook iets met een hulporganisatie doen en nu ben ik ambassadeur van Plan Nederland. Ik moet weer even nieuwe doelen stellen.

Ik ben nog steeds bezig met de nasleep van m’n boek. Ik heb optredens op festivals en geef lezingen op middelbare scholen. Het is nu bijna zomer, dus ik geniet van het weer en van de mensen. Na de zomer wil ik een streep trekken en zeggen: ‘We gaan beuken met m’n tweede boek.’ Ik mis die tijd. Ik voelde me heel erg gelukkig voordat m’n boek uitkwam en toen ik ermee bezig was. Dat was een heel gelukkig proces, ik was helemaal zen met mezelf.

Je creëert gewoon iets. Je schrijft een hoofdstuk dat er eerst niet was. Tijdens het schrijven ben je echt aan jezelf aan het bouwen. Wat ik nu nog wil? Ik ben 23 en alles wat ik wilde is gebeurd. Ja, behalve die Bentley dan. Maar dat komt nog wel.’

Gepubliceerd door

Rosalinde Markus

Rosalinde Markus (1994) is communicatiestudente en heeft al zolang ze zich kan herinneren een passie voor schrijven. Haar blog is een openbaar notitieboekje over schrijven, bloggen, creativiteit en wat haar opvalt in het communicatievak. Ook is ze hoofdredacteur van online literair tijdschrift Lood.