Kort verhaal vanwege dodenherdenking: ‘Tijgers klimmen niet in bomen’

Ik stond bij de boom en keek naar de fanfare. De boom was het middelste punt, als ik erin zou klimmen zou ik alles kunnen overzien. Volgens mijn vader was het ongepast, dus deed ik het niet. Ik zette mijn hand tegen de stam, probeerde kracht te zetten, omhoog te springen. De tere huid van mijn linkerhand schaafde tegen de schors. Toen ik mijn handpalm bekeek, zag ik houtsplinters. Lang hield ik me er niet mee bezig, want de fanfare marcheerde verder, zwaaiend met stokken die op de wattenstaafjes leken waarmee mijn moeder het smeer uit onze oren haalde.

Ik keek naar de drummers. Dat zou ik ook willen. Met krachtige slagen tegen de witte vliezen slaan, net zo hard tot er een geluid uitkwam dat bij de gelegenheid paste. Hoe meer de grote wijzer van de stationsklok bij de twaalf in de buurt kwam, hoe drukker het rondom de boom werd.
‘Michel, michel!’ Twee mollige handen grepen naar mijn kruis.
‘Rustig aan, tijger,’ lachte ik.
Ik genoot ervan hoe ze mijn naam zei. Ondanks haar leeftijd nam ze alle klanken heel letterlijk. Zo letterlijk dat ik het na de vijftiende keer opgaf om uit te leggen dat ‘ch’ ook als ‘sj’ uit- gesproken kan worden.
‘Waar is papa?’ vroeg ik.
‘Bij de vlaggenmast. Kom je ook?’
Ik keek om, naar de boom, waar jonge kinderen de takken in bezit namen en lachten als ze waarschuwend kraakten. Hun vaders stonden erbij, de handen beschermend in de lucht als een vangnet, lachend alsof er niets kon gebeuren. Er kon van alles gebeuren. Daarom waren ze hier juist.
‘Ik kom, tijger.’

Bij de vlaggenmast vond ik mijn vader, lichtjes voorover gebogen alsof de emoties om hem heen hem te zwaar werden. Het was vast verbeelding. Dat moest wel, want mijn vader heeft nooit veel met de oorlog gehad. Toen hij Leonie zag, lichtte zijn gezicht op en vouwden zijn armen zich uit als de bouwpaketten die hij op zolder maakte.
‘Leentje,’ zei hij liefkozend.
‘Papa!’ Zodra haar gewicht tegen de uitvouwbare armen drukte, rolden ze zich op en verstevigden hun grip. De fanfare begon zachter te spelen, een teken dat het bijna begon. Leonie merkte het ook.
‘Papa,’ vroeg ze met een serieus gezicht. ‘Wat is herdenken?’
Ik keek geamuseerd toe.
‘Dat heb ik toch al verteld. Thuis, weet je nog. In de keuken.’
Hij had het niet verteld, dat wist ik zeker. Als hij ergens geen zin in had, deed hij alsof hij het had verteld en noemde hij een specifieke plek om het geloofwaardiger te maken.
Mijn zusje wist het ook.
‘Ik begrijp het niet,’ zei ze. ‘Wil je het alsjeblieft nog één keer vertellen?’

Hij zuchtte, ik miste de steun van de boom. ‘Herdenken,’ zei hij, ‘is dat je even nadenkt over de reden dat je vrij bent. We zijn straks even stil en dan denken we na, zo hoort dat.’
Leonie’s gezichtje vertrok in een moeilijke frons die het bijna lelijk maakte.
‘Waar denk ik dan aan?’
‘Aan Joden die vergast werden in concentratiekampen, aan verzetshelden die zich ertegen verzette,’ wilde ik zeggen, maar ik deed het niet. Vader haalde zijn schouders op.
‘Denk maar aan hoe gelukkig je bent dat je vrij bent,’ besloot hij.
‘Doe ik het dan goed?’ Hij klopte op haar hoofd.
‘Ja,’ glimlachte hij. ‘Dan doe je het goed.’
‘Papa?’
‘Ja?’
‘Mag ik op je schouders?’
‘Nee, dat hoort niet.’
‘Oh.’

Vlak na die woorden klonk de bekende solo van een trompettist die eruit zag alsof hij de oorlog niet één, maar twee keer had meegemaakt. Ik kon de melodie meeneuriën, zo vaak had ik hem al gehoord. Na een laatste, uitgerekte toon, nam de stationsklok het over en liet ons met acht slagen weten dat dit het moment was om stil te zijn.

Ik vroeg me af waar ik aan moest denken. Wie herdenk ik? Opa en oma kende ik niet, zij hadden het niet overleefd. Hoe kon ik hen herdenken? Ik dacht aan de beelden die ik van de oorlog kende. Lange rijen mensen, omheiningen met prikkeldraad, overblijfselen van concentratiekampen, een opgeheven hand, het hakenkruis, geluiden van schoten. Ik kon alleen de beelden voor me halen die ik in een geschiedenisboek had gezien, dus richtte ik mijn aandacht ergens anders op.

Ik dacht aan de scooters die ik in de verte hoorde. Hoe knap ik het vond dat mijn zusje stil was, waarom alle militairen een hand voor hun kruis hielden en hoe irritant het was dat de voorbijrazende trein de stilte verstoorde. Is het wel stil? Als je niets zegt, maar in gedachten tegen jezelf praat, ben je dan echt stil? Een mobieltje ging af, mensen kuchten. De burgemeester nam het woord.
‘Was dat het?’
‘Ja Leentje,’ hoorde ik mijn vader zeggen.

De twee minuten waren voorbij.

Foto door: Bauke Karel

Gepubliceerd door

Rosalinde Markus

Rosalinde Markus (1994) is communicatiestudente en heeft al zolang ze zich kan herinneren een passie voor schrijven. Haar blog is een openbaar notitieboekje over schrijven, bloggen, creativiteit en wat haar opvalt in het communicatievak. Ook is ze hoofdredacteur van online literair tijdschrift Lood.