Nationaal rouwen herinnert ons aan de beperkte maakbaarheid van het leven

‘Heb je het gezien? Er is een vliegtuig neergeschoten, zet de tv aan!’ Donderdagmiddag, mijn vriend belt vanaf zijn werk. Dat doet hij nooit, maar hij heeft net het push-bericht van Nu.nl ontvangen. Ik zeg dat de televisie aanstaat, klem de telefoon aan mijn oor. Terwijl de eerste beelden van de ramp mijn netvlies binnendringen, zeg ik: ‘Het is helemaal niet zeker dat het is neergeschoten. We weten nog niets.’

[heading margin_top=”14″]Het voelt als een slechte sciencefictionfilm[/heading]

Diezelfde woorden klinken een paar uur later nutteloos, naïef, onwetend. We weten nog steeds niet alles, maar genoeg om vast te stellen dat het vliegtuig inderdaad neergeschoten is. Ik heb het gevoel dat ik middenin een slechte sciencefictionfilm ben beland. Een B-film waarin vliegtuig- explosies er nep uitzien en slachtoffers gewoon acteurs zijn met bloederige schmink op hun gezichten. Helaas is het geen film, maar de onwerkelijke realiteit.

Het aantal Nederlandse slachtoffers loopt op naarmate de uren verstrijken. Veertig slachtoffers. Tachtig. Dan plotseling 193, wat later bijgesteld wordt naar 194. Hoewel het hoge aantal Nederlandse slachtoffers de ramp niet erger maakt, wordt het wel persoonlijker. Van een ramp die we buiten de grenzen kunnen houden, waar we op het journaal naar kijken alsof het over een andere wereld gaat, verandert het in een nationale ramp die door heel Nederland gevoeld wordt.

Als logisch gevolg daarvan volgde eergisteren een dag van nationale rouw. Behalve de gezamenlijke minuut stilte leek niemand een idee te hebben hoe nationaal rouwen werkt. We dachten aan de ramp, hoe erg het is, waar we waren toen we het hoorden, of we iemand aan boord kenden. We zetten een twibbon ter nagedachtenis aan vlucht MH17 op onze Twitter profielfoto. We deelden een zwart lintje op Facebook, hingen de vlag halfstok.

[heading margin_top=”14”]We zijn altijd bezig met het volgende, the next big thing[/heading]

Ik dacht aan een gesprek dat ik eerder die week met mijn oom voerde. Hij feliciteerde me met het behalen van mijn rijbewijs, vroeg of ik al legaal gereden had. Ik knikte, vertelde over de twee keer dat ik zonder instructeur in de auto zat. ‘En, wanneer ga je voor je motorrijbewijs?’ Het is een soort vraag die ons kenmerkt. We zijn altijd bezig met het volgende, een nieuw doel om te behalen. Het leven is maakbaar, je moet jezelf blijven ontwikkelen. Na het behalen van het één, ga je door met het ander.

Voor 194 Nederlanders, die óók door wilden, plannen maakten en droomden, hield het op 17 juli op. Hoeveel mooie dingen er ook voor hen op de planning stonden, ze kunnen het niet meer meemaken. Hoe ongelofelijk is dat in een tijd waarin we geloven in maakbaarheid, vrijheid en eindeloze mogelijkheden. Deze ramp is een harde herinnering aan het feit dat we het niet in de hand hebben. Dat het ook zomaar afgelopen kan zijn, zonder waarschuwing.

Daar dacht ik eergisteren aan, op de dag van nationale rouw. Hoe verleidelijk het ook is om steeds door te gaan met het volgende, bewust stilstaan is soms belangrijker. Hoe cliché die gedachte ook is, we lijken het vaak te vergeten. Hoeveel waarde heeft steeds doorgaan met het volgende als je dat volgende misschien nooit bereikt? Om onszelf daaraan te herinneren hebben we twibbons nodig, zwarte lintjes en vlaggen die halfstok hangen.

Het leven is maakbaar, leren we. Dat is zo, tot op zekere hoogte. In een film is die hoogte altijd hoog genoeg, in de realiteit altijd onacceptabel laag.

Foto door: Roman Boed

Gepubliceerd door

Rosalinde Markus

Rosalinde Markus (1994) is communicatiestudente en heeft al zolang ze zich kan herinneren een passie voor schrijven. Haar blog is een openbaar notitieboekje over schrijven, bloggen, creativiteit en wat haar opvalt in het communicatievak. Ook is ze hoofdredacteur van online literair tijdschrift Lood.